Gebruiksvergoeding of toch huur23 november 2017

Kortgeleden kwam de Hoge Raad tot een interessante uitspraak die de scheidslijn tussen een gebruiksovereenkomst en een huurovereenkomst opnieuw aanscherpt. De eiseres in deze zaak is een stichting die tegen (zeer) geringe vergoeding woonruimte ter beschikking stelt aan haar doelgroep, in dit geval minder draagkrachtige alleenstaande vrouwen. De staat heeft de stichting een aanslag opgelegd inzake de verhuurdersheffing. In geding was dat de stichting van mening was dat gezien de geringe vergoeding er géén sprake kon zijn van verhuur en dat de aanslag derhalve ten onrechte was opgelegd. Zowel de voorzieningenrechter in eerste aanleg als het gerechtshof in hoger beroep hebben de stichting in het ongelijk gesteld. Op 23 juni jongstleden verklaarde de Hoge Raad eiseres niet ontvankelijk in cassatie ten aanzien van de uitspraak in hoger beroep.

Er zijn meerdere aspecten die dit arrest veelzeggend en interessant maken.

Bij het beoordelen van de casus wordt onderzocht of er sprake is van huur dan wel een gebruiksvergoeding. Hoewel de vergoeding ligt tussen de € 25,– en circa € 125,– per maand en er wordt gesteld dat deze vergoeding wordt aangewend voor het groenonderhoud van het hofje én dat deze opbrengst zelfs ontoereikend is om die kosten te dekken, is de voorzieningenrechter, het gerechtshof en uiteindelijk de Hoge Raad van oordeel dat er sprake is van huur en de verhuurdersheffing derhalve terecht is opgelegd. Ook een geringe vergoeding wordt aangemerkt als huur, zelfs ondanks dat de kosten als servicekosten hadden kunnen worden aangemerkt. De opbrengsten werden immers aangewend voor het groenonderhoud.

Zoals in veel van dit soort zaken geeft de Advocaat-Generaal (A-G) een advies. De conclusie, in dit geval contrair aan de uitspraak, geeft een goed beeld in de overwegingen van de A-G. In deze conclusie wordt diep ingegaan op bruikleenvergoedingen en eerdere jurisprudentie waarbij voorzieningenrechters en gerechtshoven tot het oordeel kwamen dat een gebruiksvergoeding terecht aan een gebruiker in rekening werd gebracht. Het is des te opmerkelijker dat de Hoge Raad geheel aan dit advies voorbij is gegaan en heeft geoordeeld tot ongegrond verklaring van het cassatieverzoek.

De Hoge Raad bevestigt hiermee hetgeen wij al jaren bepleiten. Het in rekening brengen van een bruikleenvergoeding kan een geslaagd beroep op huurbescherming tot gevolg hebben. Met deze uitspraak in de hand, ook al is deze gewezen in een zaak rondom de verhuurdersheffing, kan een willekeurige bruiklener zich beroepen op het Huurrecht. Wij zijn van mening dat deze uitspraak tot een ommekeer kan leiden in tot nu toe bekende jurisprudentie.

De links naar de uitspraken in eerste aanleg, in hoger beroep, in cassatie en de contraire conclusie treft u hierbij aan.

Eerste aanleg (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:4415)

Hoger beroep (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:62)

Cassatie (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:1131)

Conclusie (contrair) (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:970)

Heeft u vragen over dit arrest? Bent u bang dat deze uitspraak gevolgen voor u kan hebben, omdat er in uw onroerend goed gebruiksovereenkomsten zijn afgesloten? Neem gerust contact op voor advies. Dat kan telefonisch (026 3844200) of per mail (info@dekabath.nl).